Aan het begin van de zeventiende eeuw dacht men dat de trekvogels naar de maan gingen.

vogel 1

Aalscholver

Deze vogel staat vaak op een paaltje met zijn vleugels wijd. Dit doet hij om zijn vleugels te drogen.

Deze vogel ziet er uit alsof hij uit de oertijd komt. Ook in in de moderne tijd gaat het goed met hem. Hij komt in alle Nederlandse wateren voor, tot in parkvijvers en Amsterdamse grachten. Hij kan goed duiken en vis vangen, tot verdriet van de vissers.
Anders dan duikeenden en futen zijn de veren van de aalscholver niet vet. Daarom moet hij na een duik zijn veren drogen, om goed te kunnen vliegen. Hij doet dat door zijn vleugels uit te hangen in de wind. In die houding lijkt de aalscholver wel wat op de adelaars op wapenschilden.
Aalscholvers hebben ook iets menselijks: het zijn milieuvervuilers. De omgeving van hun nesten wordt zo grondig verpest door hun uitwerpselen, dat de bomen er dood gaan. Als de jongen groot zijn, trekken de aalscholvers van Midden-Nederland naar de kustgebieden, om daar te blijven tot het volgende voorjaar.

Terug naar pagina overzicht Terug naar pagina overzicht